Tijdvak 1: Jagers en Boeren (Prehistorie)

Geschiedenismethode – VWO 4 – leeftijd ±15 jaar

Inleiding

Tijdvak 1 is de prehistorie: de periode van de eerste mensen tot circa 3000 v.Chr. Dit tijdvak wordt ook wel de "Tijd van jagers en boeren" genoemd en beslaat alles van de oudste steentijd tot aan het ontstaan van de eerste steden en het schrift. Het is het langste tijdvak uit de geschiedenis, maar ook het tijdvak waarover we het minst weten, omdat er uit deze periode geen geschreven bronnen zijn. Wat we over de prehistorie weten, is gebaseerd op ongeschreven bronnen zoals fossielen, gereedschappen, gebouwen en kunstwerken die archeologen hebben gevonden.

In deze les ga je ontdekken hoe mensen leefden in de prehistorie en welke grote veranderingen zich voordeden. Je leert over de drie kenmerkende aspecten van tijdvak 1:

Ook oefen je belangrijke historische vaardigheden:

De les is opgedeeld in duidelijke secties. Je kunt via het menu hierboven naar de verschillende onderdelen navigeren. In de tekst vind je uitleg, en daarnaast zijn er interactieve elementen zoals een tijdlijn, quizvragen om je kennis te testen, en bronnenanalyse-opdrachten waarbij je zelf historische bronnen onderzoekt. Veel succes en plezier met leren over de prehistorie!

Kenmerkend aspect 1: Levenswijze van jagers-verzamelaars

Jagers-verzamelaars waren de allereerste mensen en leefden tot ver in de prehistorie van wat de natuur hen bood. Ze trokken in kleine groepen rond op zoek naar voedsel. Mannen jaagden op wilde dieren en vrouwen (en kinderen) verzamelden planten, vruchten, noten en andere eetbare gewassen. Omdat voedselbronnen konden opraken of zich verplaatsen (bijvoorbeeld trekdieren), hadden jagers-verzamelaars een nomadische leefwijze: ze hadden geen vaste woonplaats maar verhuisden telkens naar een nieuw gebied als dat nodig was.

De leefomgeving en het klimaat bepaalden sterk het leven van jagers-verzamelaars. Tijdens de laatste ijstijd, toen grote delen van Europa bedekt waren met ijs en toendra, leefden mensen in koude omstandigheden en jaagden ze bijvoorbeeld op mammoeten en rendieren. Later, na het afsmelten van het ijs (rond 10.000 v.Chr.), veranderden flora en fauna en pasten mensen zich daaraan aan. Jagers-verzamelaars leefden in eenvoudige onderkomens: soms grotten, maar vaak zelfgemaakte hutten of tenten van takken, huiden en botten. Ze hadden weinig bezittingen, want alles moest mee kunnen worden genomen bij het rondtrekken.

De groepen (clans of stammen) waren klein, vaak enkele families, misschien 20 tot 30 personen. Er was meestal nog geen ingewikkelde sociale hiërarchie; er waren wel verschil in taken (bijvoorbeeld jagers vs. verzamelaars), maar er waren geen koningen of grote verschil tussen arm en rijk. Iedereen moest bijdragen om te overleven, en er was veel continuïteit in hun manier van leven: generaties lang leefden mensen op ongeveer dezelfde manier.

Ondanks de beperkte middelen maakten jagers-verzamelaars wel al belangrijke culturele uitingen. Zo gebruikten ze vuur (voor warmte, koken en om roofdieren weg te houden) en maakten ze diverse werktuigen van steen, hout en bot. Denk aan vuurstenen pijlpunten, speerwerpers, messen en schrapers om huiden te bewerken. Deze periode wordt ook wel de steentijd genoemd omdat steen het belangrijkste materiaal was voor gereedschap. Daarnaast zijn er bijzondere vondsten van prehistorische kunst, zoals prachtige rotsschilderingen in grotten. Deze schilderingen van dieren en symbolen (bijvoorbeeld in de grotten van Lascaux in Frankrijk) laten zien dat jagers-verzamelaars oog hadden voor kunst en misschien spirituele ideeën hadden. Omdat er nog geen schrift bestond, vormen dit soort vondsten een cruciale historische bron over hun leven.

Kenmerken van het leven van jagers-verzamelaars:
  • Zij leefden in kleine, rondtrekkende groepen (nomaden).
  • Zij leefden van jagen en voedsel verzamelen; er was nog geen landbouw.
  • Zij hadden eenvoudige hulpmiddelen van steen, hout en bot en ontdekten het gebruik van vuur.
  • Ze woonden in tijdelijke hutten, tenten of grotten en hadden weinig bezit.
  • Er waren nauwelijks sociale klassen of grote verschillen; wel taakverdeling op basis van bijvoorbeeld geslacht of leeftijd.

We kennen het bestaan en de leefwijze van jagers-verzamelaars uitsluitend uit ongeschreven bronnen. Het bestuderen van deze bronnen is puzzelwerk: archeologen graven naar resten als botten, gebruiksvoorwerpen, vuurplaatsen en grotschilderingen om te achterhalen hoe deze mensen leefden. Door die bronnen te onderzoeken kunnen historici toch een beeld vormen van oorzaak en gevolg in de prehistorie. Bijvoorbeeld: waardoor konden groepen mensen overleven in barre omstandigheden (oorzaak-gevolg: door samenwerking en gebruik van vuur) en waren er veranderingen of bleef veel hetzelfde (continuïteit-verandering: hun levenswijze bleef lange tijd hetzelfde tot er nieuwe uitvindingen kwamen).

Kenmerkend aspect 2: Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

Ongeveer 10.000 jaar v.Chr. vond er een van de grootste veranderingen in de menselijke geschiedenis plaats: de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw. Deze omschakeling wordt de neolithische revolutie of landbouwrevolutie genoemd. In gebieden in het Midden-Oosten (zoals de vruchtbare halve maan in Mesopotamië) begonnen mensen voor het eerst wilde granen te cultiveren en dieren te domesticeren (temmen en fokken voor eigen gebruik). Waarschijnlijk hingen de oorzaken samen met klimaatverandering (einde van de ijstijd zorgde voor warmer, stabieler klimaat) en bevolkingsgroei: sommige groepen ontdekten dat ze door zaden te zaaien en dieren te houden meer voedsel konden verkrijgen dan door alleen te jagen en verzamelen. Oorzaken zoals een warmer klimaat en de beschikbaarheid van geschikte wilde graansoorten leidden ertoe dat de mens geleidelijk boer werd. Een direct gevolg was dat mensen zich op één plek konden vestigen.

Met de komst van de landbouw gingen mensen dus sedentair leven: in permanente nederzettingen. Ze bouwden dorpen met stevige huizen van klei, hout of steen, omdat ze niet langer voortdurend rondtrokken. Voedsel produceren door akkerbouw en veeteelt vergde veel werk, maar het bood ook voordelen: er kon een voedseloverschot ontstaan (bij een goede oogst was er meer eten dan de groep direct nodig had). Zo'n overschot maakte het mogelijk dat niet iedereen zich meer uitsluitend met voedsel zoeken hoefde bezig te houden. Sommige mensen konden zich specialiseren in andere bezigheden, bijvoorbeeld pottenbakken, weven van textiel, het maken van betere werktuigen of het bouwen van huizen. In de nieuwe landbouwsamenleving ontstonden dus nieuwe beroepen en een meer complexe gemeenschap.

Het verbouwen van planten (zoals tarwe, gerst, bonen) en het houden van dieren (zoals geiten, schapen, runderen en varkens) veranderde het dagelijks leven ingrijpend. Boeren werkten weliswaar langer en zwaarder op het land dan jagers-verzamelaars op jacht deden, maar konden meer mensen voeden. De bevolking begon langzaam te groeien. Een dorp bestond uit tientallen tot honderden inwoners. Met vaste landbouwgrond kwam ook het idee van bezit en het doorgeven van land binnen families. Er ontstonden grotere verschillen in rijkdom: wie een grotere oogst had of meer vee bezat, kon meer ruilen of had een hogere status. Zo zien we de eerste sociale gelaagdheid: niet iedereen was volledig gelijk meer. Ook het geloof en de rituelen pasten zich aan: boeren gingen hun voorouders en natuurkrachten vereren die belangrijk waren voor het succes van de oogst. Archeologische vondsten van deze eerste boeren wijzen op rituelen en geloof, bijvoorbeeld de bouw van monumenten voor de doden.

Landbouw bereikte vanuit het Midden-Oosten geleidelijk Europa. Rond 5300 v.Chr. vestigden zich de eerste boeren in het gebied dat nu Nederland is (in Zuid-Limburg). Zij brachten gewassen en vee mee. In de eeuwen daarna verspreidde de agrarische leefwijze zich ook over de rest van Nederland. Een belangrijke archeologische vondst uit de Nederlandse prehistorie zijn de hunebedden: dit zijn grote stenen grafkamers gebouwd door boeren van de Trechterbekercultuur. De hunebedden (vooral te vinden in Drenthe) werden tussen circa 3400 en 3200 v.Chr. opgebouwd uit enorme zwerfkeien. Dat deze monumentale graven zijn gebouwd, vertelt ons dat de boeren samenwerkten in grotere groepen en dat ze waarschijnlijk een sterke voorouderverering of geloof in een hiernamaals kenden. Zulke complexere sociale en religieuze ideeën konden ontstaan doordat mensen langdurig op één plek leefden en gemeenschap vormden.

Gevolgen van het ontstaan van de landbouw (verandering ten opzichte van het jagersbestaan):
  • Mensen gingen op één plek wonen en leefden in dorpen in plaats van rond te trekken.
  • De voedselproductie nam toe en er konden overschotten ontstaan; hierdoor groeide de bevolking langzaam.
  • Er kwamen nieuwe ambachten en specialisaties (bijvoorbeeld pottenbakkers, timmerlieden, wevers).
  • Bezitsvorming: mensen gingen persoonlijke eigendommen en land bezitten; er ontstonden rijkdomsverschillen.
  • Samenlevingen werden complexer met leiders of dorpsoudsten en meer regels om samen te leven.

Toch was er ook veel continuïteit in deze periode. Zo bleven mensen bijvoorbeeld nog steeds gebruikmaken van steen als belangrijkste materiaal voor werktuigen (pas later werd metaal geïntroduceerd). En hoewel het leven van boeren heel anders was dan dat van jagers, bleven sommige culturele aspecten bestaan: gemeenschapsgevoel, het belang van samenwerking en overdracht van kennis binnen families. In de bronnen uit deze periode – zoals woningen, gereedschappen, graven en kunstvoorwerpen – zoeken historici naar aanwijzingen voor zowel verandering als continuïteit. Door oorzaak en gevolg te analyseren (bijvoorbeeld: wat waren de gevolgen van landbouw voor de gezondheid, of waardoor ontstonden dorpen?) krijgen we inzicht in deze eerste boerensamenlevingen.

Kenmerkend aspect 3: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

Naarmate sommige dorpen uitgroeiden en de landbouw steeds efficiënter werd, gebeurde er opnieuw een grote maatschappelijke verandering: het ontstaan van de eerste steden. Een stad is eigenlijk een zeer grote nederzetting met veel inwoners en vaak met nieuwe functies die een dorp niet had. De eerste stedelijke gemeenschappen ontstonden rond 3500–3000 v.Chr. in vruchtbare rivierdalen, met name in Mesopotamië (het land tussen de Eufraat en Tigris, het huidige Irak) en in Egypte (langs de Nijl). Doordat de landbouw in deze gebieden zeer productief was (denk aan irrigatie bij de Nijl en de Eufraat/Tigris), konden niet alleen meer mensen gevoed worden, maar hoefde ook niet iedereen meer boer te zijn. Steeds meer mensen kregen een ander beroep: specialisatie nam verder toe. Zo waren er ambachtslieden (bv. smeden, pottenbakkers), handelaars, priesters, soldaten en bestuurders. Een complexe samenleving was geboren.

In de eerste steden, zoals Uruk in Mesopotamië of Memphis in Egypte, woonden tienduizenden mensen. Om zo'n grote gemeenschap te organiseren, was er behoefte aan bestuur en regels. Vaak ontstond een centraal gezag: bijvoorbeeld een koning of hogepriester die orde hield en grote projecten organiseerde (zoals de bouw van tempels, stadsmuren of irrigatiekanalen voor de landbouw). Hiermee ontstond ook een hiërarchie: een gelaagde samenleving met heersers, priesters en rijke kooplieden bovenaan, en boeren, handwerkslieden en arbeiders daaronder. Helemaal onderaan stonden soms slaven. Deze sociale verschillen waren een belangrijke verandering ten opzichte van de relatief eenvoudige dorpse samenlevingen.

Een cruciale ontwikkeling in de eerste steden was de uitvinding van het schrift. Rond 3300 v.Chr. verschenen in Mesopotamië de eerste tekenen van spijkerschrift (kleine inkervingen in kleitabletten) en in Egypte iets later hiërogliefen. Het schrift is ontstaan uit de noodzaak om zaken vast te leggen: administratie van voorraden, handelstransacties, belastingheffing, wetten en later ook verhalen en religieuze teksten. Met schrift begon de geschiedenis in engere zin – het vastleggen van gebeurtenissen in geschreven vorm – en eindigde de prehistorie. Dankzij geschreven bronnen kunnen we veel directer te weten komen wat mensen dachten en deden. Maar het is belangrijk om te beseffen dat in deze vroegste tijdschrift alleen een kleine elite kon lezen en schrijven (bijvoorbeeld schriftgeleerden in dienst van de tempel of het paleis).

De eerste stedelijke beschavingen brachten indrukwekkende culturele prestaties voort. Denk aan monumentale bouwwerken zoals de ziggoerats (trappiramides) in Mesopotamische steden of de piramides en tempels in Egypte. Er kwam een complexe religie met veel goden die vaak in verband stonden met natuurkrachten en stadsbeschermheiligen. Er ontstonden handelnetwerken tussen steden en omliggende dorpen en zelfs tussen verschillende beschavingen (bijvoorbeeld ruilde Mesopotamië met volkeren in Indië of met Egypte). Ook op technologisch vlak waren er innovaties: het wiel, metaalbewerking (koper en brons), betere schepen, enzovoort.

Met de opkomst van de steden was de transformatie van de samenleving enorm: van kleine nomadische groepen jagers naar agrarische dorpen en uiteindelijk naar stedelijke staten met duizenden inwoners. Sommige zaken bleven echter constant (continuïteit): zo bleven landbouw en veeteelt de basis voor voedsel (ook stedelingen waren afhankelijk van boeren op het platteland), en oude tradities en technieken bleven nog lange tijd naast nieuwe bestaan (bijvoorbeeld stenen werktuigen naast bronzen werktuigen in de vroege bronstijd). Maar al met al markeert het ontstaan van de eerste steden een duidelijk einde van tijdvak 1. In het volgende tijdvak (tijdvak 2, de Oudheid) zouden deze steden en rijken verder groeien en zou de invloed van schrift en beschaving zich uitbreiden.

Tijdlijn – Belangrijke gebeurtenissen in tijdvak 1

Hieronder zie je een tijdlijn van tijdvak 1 (jagers en boeren). De tijdlijn loopt van de vroegste mens tot het ontstaan van schrift. Klik op een jaartal om meer informatie te lezen over de gebeurtenis op dat moment.

**Tip:** De jaartallen in de prehistorie zijn vaak bij benadering. Hoe verder terug in de tijd, hoe groter de onzekerheidsmarges.

Quiz – Test je kennis

Beantwoord de volgende meerkeuzevragen om te controleren of je de belangrijke punten uit deze les begrijpt. Kies het beste antwoord en klik op "Controleer antwoord" om te zien of je het goed hebt.

1. Hoe leefden jagers-verzamelaars voornamelijk?

2. Welk gevolg had het ontstaan van de landbouw?

3. Wat markeert traditioneel het einde van de prehistorie?

4. Welke van de volgende dingen bleef een continuïteit (gelijk) toen mensen overgingen van jagen-verzamelen naar landbouw?

Bronnenanalyse – aan de slag met bronnen

In deze opdrachten ga je afbeeldingen (bronnen) uit de prehistorie bekijken en vragen beantwoorden. Probeer eerst zelf na te denken over de vraag voordat je het antwoord opent. Zo leer je kritisch naar bronnen te kijken, net als een historicus of archeoloog!

Bron 1: Grotschildering uit de prehistorie

[Afbeelding van Grotschildering van oerossen, paarden en herten in de grot van Lascaux]
Bron 1: Aurochs, Horses and Deer – Lascaux (ca. 17.300 jaar oud)

Vraag bij bron 1: Wat kunnen historici afleiden uit deze grotschildering over het leven en de denkwereld van jagers-verzamelaars?

Antwoord bespreken

Antwoord: In de grotschildering zien we grote wilde dieren (zoals oerossen en herten) die werden afgebeeld. Dit vertelt ons dat deze dieren belangrijk waren voor de jagers-verzamelaars, waarschijnlijk als prooidieren voor de jacht. Dat men de moeite nam ze op de grotwanden te schilderen, wijst erop dat deze mensen een vorm van kunst en mogelijk spirituele opvattingen hadden. Wellicht geloofden ze dat het afbeelden van dieren invloed kon hebben op de jacht (bijvoorbeeld een succesvolle jacht "afbeelden" om dat in het echt te bereiken). De bron laat ook zien welke diersoorten er leefden in hun omgeving. Kortom, deze grotschildering geeft inzicht in zowel het voedselpatroon (welke dieren men jaagde) als in de cultuur (men maakte kunst, had waarschijnlijk rituelen of geloof rondom de jacht).

Bron 2: Hunebed (grafmonument)

[Afbeelding van Hunebed D14 bij Eext]
Bron 2: Hunebed D14 bij Eext – neolithisch grafmonument (ca. 3400–3200 v.Chr.)

Vraag bij bron 2: Wat vertelt een groot grafmonument zoals een hunebed ons over de landbouwsamenleving die het bouwde?

Antwoord bespreken

Antwoord: Een hunebed is gebouwd van gigantische stenen, wat betekent dat een groep mensen samen heeft moeten werken om dit te realiseren. Dit wijst op samenwerking en organisatie: er waren voldoende mensen (en een vorm van leiderschap) om dit zware project uit te voeren. Bovendien is een hunebed een grafkamer: dit laat zien dat deze mensen zorgden voor hun doden en waarschijnlijk geloofden in een hiernamaals of in het eren van voorouders. Het bestaan van een dergelijk monument suggereert ook dat de gemeenschap op één plek gevestigd was (sedentair leven), want zo'n bouwwerk maak je alleen als je langere tijd op dezelfde plaats woont. Samengevat toont de bron aan dat deze boeren in georganiseerde gemeenschappen leefden met rituelen rondom de dood en voldoende voedseloverschot (en tijd) om naast het boeren zo'n groot project te ondernemen.

Bron 3: Vroeg kleitablet met schrift

[Afbeelding van Kleitablet met spijkerschrift]
Bron 3: Kleitablet met spijkerschrift – Babylon, British Museum (4e eeuw v.Chr.)

Vraag bij bron 3: Waarom was de uitvinding van het schrift zo belangrijk voor de eerste stedelijke samenlevingen?

Antwoord bespreken

Antwoord: Het schrift maakte het mogelijk om informatie vast te leggen en te bewaren. In de eerste steden was dit cruciaal: men kon nu administratie bijhouden van voorraden, oogsten en handel. Bijvoorbeeld, dit kleitablet is gebruikt om bierrantsoenen voor arbeiders te registreren. Dankzij het schrift konden steden belasting innen en plannen maken (oorzaak-gevolg: zonder schrift zou een complex bestuur met regels veel lastiger zijn). Daarnaast konden wetten opgeschreven worden, zodat voor iedereen duidelijk was wat de regels waren. Op langere termijn stelde het schrift de mensen ook in staat om verhalen, kennis en geschiedenis vast te leggen en door te geven aan volgende generaties, wat de ontwikkeling van de beschaving versnelde. Kortom, schrift zorgde voor betere organisatie van de stadssamenleving en markeert de overgang van prehistorie naar historie.

Met deze bronnenanalyse heb je geoefend in het interpreteren van historische bronnen. Je hebt gezien hoe we uit afbeeldingen en objecten informatie kunnen halen over oorzaken en gevolgen (bijvoorbeeld: schrift ontstaat door de noodzaak tot administratie, gevolg: betere organisatie), over continuïteit en verandering (hunebedden tonen verandering in levenswijze maar ook continuïteit in geloof in een hiernamaals) en hoe we kenmerkende aspecten kunnen herkennen in concrete voorbeelden. Goed gedaan!