Sluiten

Meerderheid Nederlanders wil AI-onderwijs, overheid moet regie nemen

Twee op de drie Nederlanders vinden dat kinderen op school moeten leren hoe kunstmatige intelligentie werkt en hoe zij AI verantwoord gebruiken. Dat meldt de Nationale Onderwijsgids op basis van een landelijk onderzoek van Conclusion onder 1.000 Nederlanders. De uitkomst zegt niet wat scholen al kunnen of moeten invoeren, maar laat wel zien dat AI-geletterdheid steeds meer als een publieke onderwijsvraag wordt gezien.

Wat er nieuw is

Het bericht verscheen op 20 oktober 2026. Volgens de aangeleverde bron wil 67 procent van de ondervraagden AI-onderwijs. Binnen die groep wil 28 procent dat al op de basisschool laten beginnen en 39 procent pas op de middelbare school. Daartegenover staat 22 procent die vindt dat school juist moet focussen op leren zonder AI. Vier procent vindt AI-onderwijs helemaal niet nodig en zeven procent weet het niet.

De vraag wie Nederlanders voldoende AI-kennis moet bijbrengen, wordt vooral bij de overheid gelegd: 46 procent noemt onderwijs en voorlichting door de overheid. Daarna volgen mensen zelf met 29 procent, werkgevers met 9 procent en technologiebedrijven met 8 procent. De cijfers zijn zelfgerapporteerde opvattingen uit één onderzoek, geen bewijs dat AI-onderwijs al is ingevoerd of aantoonbaar leerwinst oplevert.

Conclusion-CTO Bastiaan Sjardin koppelt aan de uitkomst een oproep om doelen en kwaliteitsnormen bij het onderwijs te laten beginnen. Aanbieders zouden moeten aantonen dat hun systemen aan die normen voldoen. Voor toepassingen die cijfers of schooladviezen beïnvloeden, noemt hij externe controle en keuze tussen meerdere leveranciers. De bron vermeldt geen volledig onderzoeksrapport met steekproefmethode, vraagformulering of uitsplitsingen naar leeftijd en opleidingsniveau. Dat beperkt hoe precies de percentages kunnen worden geïnterpreteerd.

Waarom dit voor scholen telt

De uitslag ondersteunt een brede invulling van AI-geletterdheid. Leerlingen hoeven niet alleen te leren hoe zij een chatbot een opdracht geven. Zij moeten ook begrijpen wat een model wel en niet weet, antwoorden controleren, bronnen beoordelen, fouten herkennen en zelfstandig kunnen werken wanneer AI niet beschikbaar of niet toegestaan is.

Voor het basisonderwijs betekent dat niet automatisch dat jonge kinderen een eigen account of generatieve tool nodig hebben. Een school kan beginnen met voorbeelden, klassengesprekken en opdrachten waarin leerlingen voorspellingen van een systeem vergelijken met betrouwbare bronnen. In het voortgezet onderwijs, mbo, hbo en wo komen daar vakgerichte keuzes bij: wanneer mag AI helpen, welke tussenstappen moeten zichtbaar zijn en hoe toon je aan dat je de stof zelf beheerst?

De oproep om onderwijsdoelen centraal te zetten is ook relevant voor aanschaf. Een leverancier kan een aantrekkelijke functie aanbieden voor feedback, differentiatie of een schooladvies, maar de school blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van het proces. Een modeluitkomst is geen zelfstandig bewijs voor een cijfer, ondersteuningsbesluit of advies aan ouders.

Kansen en risico's

Goed ontworpen AI-geletterdheid kan leerlingen helpen om kritisch te denken over technologie die zij toch tegenkomen. Docenten kunnen sneller lesvoorbeelden maken, verschillende antwoorden naast elkaar zetten en oefenen met broncontrole. AI kan ook toegankelijkheid ondersteunen, bijvoorbeeld door uitleg op meerdere taalniveaus of met alternatieve formuleringen voor te bereiden.

Daar staat een risico op schijnzelfstandigheid tegenover. Een leerling kan een vloeiende tekst inleveren zonder de inhoud te begrijpen. Als oefenen en feedback voortdurend door een systeem worden overgenomen, wordt het moeilijker om eigen ontwikkeling te zien. Toetsing moet daarom soms juist zonder AI, soms met toegestane AI en soms met een mondelinge of procesgerichte toelichting worden ingericht.

Privacy en veiligheid horen bij dezelfde beslissing. Scholen moeten vooraf bepalen welke leerlinggegevens, zorginformatie, toetsvragen en personeelsgegevens nooit in een publieke tool mogen worden ingevoerd. Ook een beheerde omgeving maakt een foutief AI-advies niet betrouwbaar en een leverancierscontract vervangt geen menselijke verantwoordelijkheid. Meerdere aanbieders of een uitwijkmogelijkheid kunnen bovendien voorkomen dat onderwijsprocessen volledig afhankelijk worden van één bedrijf.

Wat teams nu kunnen afspreken

  • Beschrijf per onderwijsfase welke AI-kennis leerlingen nodig hebben: werking, beperkingen, bronnen, privacy, veiligheid en verantwoord gebruik.
  • Maak onderscheid tussen oefenen mét AI, zelfstandig oefenen zonder AI en beoordelen van beheersing.
  • Leg per toets en opdracht vast welke AI-hulp is toegestaan en welk denk- of procesbewijs de leerling laat zien.
  • Test AI-uitvoer op juistheid, vooroordelen, taalniveau en toegankelijkheid voordat die in lesmateriaal of leerlingbegeleiding terechtkomt.
  • Spreek af welke gegevens niet ingevoerd mogen worden en wie incidenten of onjuiste adviezen beoordeelt.
  • Vraag leveranciers om aantoonbare kwaliteit, uitlegbaar beheer en exportmogelijkheden; houd een menselijke route en een alternatief beschikbaar.

De kern

Het Conclusion-onderzoek laat zien dat een meerderheid van de ondervraagde Nederlanders AI-onderwijs op school wil en daarbij vooral naar de overheid kijkt. Voor scholen is de praktische conclusie niet dat iedere leerling zo snel mogelijk een chatbot moet gebruiken, maar dat onderwijsdoelen, menselijke beoordeling, privacy, gelijke toegang en zelfstandig leren eerst helder moeten zijn.