Sluiten

Kamer vraagt om veilige publieke AI voor scholen

De Tweede Kamer heeft op 10 juni 2026 opnieuw stevig gesproken over digitalisering, leermiddelen en AI in het funderend onderwijs. In het plenaire verslag staan meerdere moties die direct raken aan de dagelijkse praktijk van scholen: een veilige publieke Nederlandse AI-voorziening, AI-vrije voorbeelden voor schrijfonderwijs, digitale autonomie en minder standaard schermgebruik in de klas.

De moties zijn nog geen vastgesteld beleid. De stemming staat gepland voor 16 juni 2026. Toch is het nieuws relevant, omdat de staatssecretaris aangaf dat verschillende voorstellen kunnen worden meegenomen in het aangekondigde regieplan voor digitalisering en AI in het funderend onderwijs.

Wat vraagt de Kamer?

De meest concrete AI-motie vraagt de regering om samen met Kennisnet, SURF en SIVON een voorstel uit te werken voor een veilige publieke Nederlandse AI-voorziening. Die voorziening zou scholen moeten helpen AI te gebruiken binnen duidelijke kaders voor privacy, veiligheid, gelijke kansen en publieke waarden.

Dat is belangrijk, omdat veel scholen nu afhankelijk zijn van commerciele AI-systemen zoals ChatGPT, Gemini of Copilot. Zulke tools zijn breed inzetbaar, maar niet specifiek ontworpen voor pedagogische en didactische behoeften van het onderwijs. De motie benoemt ook dat scholen moeite hebben om grip te houden op de snelle ontwikkeling van generatieve AI.

Daarnaast lag er een motie om in overleg met leraren en sectoren best practices te verzamelen voor AI-vrije schrijfopdrachten en toetsing. De zorg daarachter is herkenbaar: leerlingen moeten zelf goed leren schrijven, redeneren en formuleren. Als AI te veel denk- en schrijfwerk overneemt, kan de opdracht zijn leerwaarde verliezen.

Waarom dit telt voor scholen

Voor PO en VO gaat dit direct over basisvaardigheden, digitale geletterdheid en de vraag wanneer AI wel of niet past bij het leerdoel. Een publieke voorziening kan scholen mogelijk helpen om AI niet volledig aan losse accounts, losse docenten of grote techbedrijven over te laten.

Voor MBO, HBO en WO is het signaal breder. Ook daar speelt de spanning tussen veilig experimenteren, beroepsgerichte AI-vaardigheden, toetsbetrouwbaarheid en afhankelijkheid van private platforms. De vraag wordt niet alleen welke tool handig is, maar wie de voorwaarden bepaalt waaronder onderwijsdata, feedback en studentwerk door AI-systemen worden verwerkt.

Niet alleen toolbeleid

Opvallend is dat het debat AI verbindt met grotere onderwijskeuzes: devices, schermtijd, digitale autonomie, leermiddelen en schrijfvaardigheid. Daarmee verschuift AI van een los innovatieonderwerp naar onderwijsbestuur en curriculumontwerp.

Voor schoolteams is dat een bruikbaar kader. AI-beleid hoeft niet te beginnen met een lijst verboden tools. Het kan beginnen met vragen als:

  • Welke leerdoelen vragen om AI-vrij werken?
  • Waar kan AI juist veilig ondersteunen?
  • Welke gegevens mogen nooit in publieke of commerciele AI-tools?
  • Wie helpt docenten om AI-gebruik didactisch verantwoord te maken?
  • Hoe houden we grip op afhankelijkheid van grote technologiebedrijven?

De kern

De Kamer lijkt AI in het onderwijs niet meer te zien als iets dat scholen individueel moeten uitzoeken. De nieuwe moties leggen de nadruk op publieke regie, veilige voorzieningen, professionele ondersteuning en behoud van basisvaardigheden. Voor onderwijsprofessionals is vooral dit belangrijk: AI vraagt niet alleen om vaardige gebruikers, maar om onderwijsafspraken die het leren, de privacy en de pedagogische verantwoordelijkheid beschermen.